Weerstation Leyenburg Menu Stijl Blauw Stijl Rood
   
  Toevoegen aan Favorieten
Het klimaat in Nederland wordt bepaald door de geografische ligging op de Aarde. Nederland heeft een zeeklimaat, gekenmerkt door zachte winters, koele zomers en neerslag gedurende het gehele jaar. Dit wordt veroorzaakt door de gemiddelde luchtverplaatsing die voornamelijk uit het zuidwesten is.

De atmosfeer
De aarde wordt omringd door een laag welke bestaat uit allerlei gassen. Zonder deze laag zou het leven op aarde onmogelijk zijn. Deze laag noemen we atmosfeer of dampkring. Het geeft ons lucht, water, warmte en beschermt ons tegen de schadelijke stralen van de zon en tegen meteorieten. De dampkring is een kleurloze, reukloze, smaakloze "zee" van gassen, water en fijne stof. De atmosfeer bestaat uit verschillende lagen met verschillende eigenschappen. Zij bestaat uit: 78% stikstof, 21% zuurstof, 0,93% argon, 0,03% koolstofdioxide en voor 0,04% uit andere gassen. De Troposfeer is de laag waar het weer zich afspeelt, daar boven bevindt zich de Stratosfeer. In de Stratosfeer ligt de Ozonlaag, die de meeste ultraviolette straling van de zon tegenhoudt. Boven de Stratosfeer liggen de Mesosfeer, de Thermosfeer [met daarin de Ionosfeer] - en daar boven de Exosfeer. De totale atmosfeer is ongeveer 700 km dik.

De troposfeer
De troposfeer is de onderste laag van de atmosfeer en is ongeveer 12 km dik. De Troposfeer bevat 75% van alle gassen van de hele atmosfeer en ook grote hoeveelheden water en stof. Doordat de zon de aarde opwarmt blijft deze grote massa in beweging. Door de bewegingen van deze massa ontstaat het weer. De troposfeer is aan de grond meestal het warmst en wordt naar de bovengrens [Tropopause] toe steeds koeler. De tropopause ligt niet overal op dezelfde hoogte. Bij de evenaar ligt deze op 18 km, op 50 graden noorderbreedte en zuiderbreedte op 9 km en bij de beide polen op 6 km hoogte.

De Zon
De belangrijkste factor van ons weer is de zon. De zonnestralen verwarmen het aardoppervlak en daarmee de lucht daarboven. De warme lucht stijgt op en luchtstromingen [wind] zijn het gevolg. Door de bolvorm van de aarde en de schuine stand van de aardas ten opzichte van de zon, wordt het aardoppervlak niet overal en gelijkmatig verwarmd. ’s Winters staat de zon in Nederland lager aan de hemel waardoor de zonnestralen schuiner invallen dan ’s zomers. Daardoor valt er dus minder zonlicht op het noordelijk halfrond dan ’s zomers. Hierdoor krijg je ook langere en kortere dagen. De schuine stand van de aarde ten opzichte van de zon is er de oorzaak van seizoensinvloeden.

Luchtstroom
Doordat de gebieden op de evenaar het meeste zonlicht krijgen warmen deze gebieden het meeste op. Hierdoor ontstaat er een opgaande luchtstroom, die tegen het plafond van de troposfeer, de tropopauze, botst en vervolgens richting de polen stroomt. Bij de 30e breedtegraad daalt de lucht weer om vervolgens over het aardoppervlak terug te stromen naar de evenaar. Ook lucht afkomstig van de 60e breedtegraad daalt hier en stroomt langs het aardoppervlak terug naar de 60e breedtgraad om daar op te stijgen. Door de dalende luchtstromen op de 30e breedtegraad liggen hier de woestijnen, omdat dalende lucht opwarmt en daardoor geen regen geeft. Ook van het poolgebied stroomt lucht over het aardoppervlak naar de 60e breedtegraad om daar op te stijgen en vervolgens weer terug te stromen naar de polen. Bij de 60e breedtegraad ontstaan vaak depressies, doordat de koude lucht van de pool de warme lucht van de 30e breedtegraad ontmoet. Daarom bevinden de meeste depressies zich ten noorden van Nederland.

Oceaantroom
Maar van het totale transport van warmte van evenaar naar pool komt slechts ongeveer 60% voor rekening van de atmosfeer. De andere 40% wordt door stromingen in de oceanen meegenomen. Bij de evenaar warmt het oceaanwater op door de zon. Terwijl het dan naar de polen stroomt, geeft het die warmte langzaam weer af aan de atmosfeer, waardoor het weer wordt beïnvloed. Dit proces van opwarming aan de evenaar en afkoeling bij de polen vindt vooral plaats in de Noord-Atlantisch Oceaan, tussen Noord-Amerika en Europa. De golfstroom, een brede 'rivier' van snelstromend warm water, zorgt hier voor het transport van warmte. De golfstroom blijft constant nieuw water aanvoeren. dit kan alleen maar doorgaan als het water op de bodem aangekomen wegstroomt, over de zeebodem terug naar het zuiden de Atlantische Oceaan door. Het water stroomt rond Antarctica en in de Indische en Stille Oceaan komt het weer aan het oppervlak. Daar vandaan stroomt het water rond Zuid-Afrika en Zuid-Amerika terug naar IJsland. Zo zijn alle oceanen dus onderdeel van een grote transportstroom van water, vergelijkbaar met een lopende band.

Luchtdruk
1 liter lucht weegt ongeveer 1,3 gram. De luchtkolom in de atmosfeer vertegenwoordigt een bepaald gewicht en veroorzaakt daardoor een druk op het aardoppervlak. De luchtdruk varieert van plaats tot plaats en ligt aan het aardoppervlak meestal tussen 940 tot 1060 hPa. Onder invloed van de temperatuur door de lucht- en oceaanstroom ontstaat er verschil in luchtdruk immers hoe warmer de lucht, hoe lichter het gewicht, dus hoe lager de druk. Luchtdrukgebieden zijn continue in beweging.

Hogedrukgebieden zijn luchtmassa's waarin grootschalig dalende luchtbewegingen plaatsvinden. Hierdoor onstaat aan het aardoppervlak een hogere luchtdruk, dan die van de omgeving. In de onderste lagen treft men uitstroming aan van lucht, in de bovenste lagen wordt er juist lucht vanuit de omgeving aangezogen. Het gevolg is dat de lucht in de kern naar beneden gaat. Dit veroorzaakt verwarming van de lucht en oplossing van de eventueel aanwezige wolken. Dit verklaart het mooie weertype dat vaak voorkomt in een hogedrukgebied.

We spreken van een lagedrukgebied of depressie waar de luchtdruk lager is dan in de omgeving. In de onderste lagen stroomt de lucht spiraalvormig naar het gebied met de laagste luchtdruk. In de kern van het lagedrukgebied stroomt de lucht naar boven toe, hierdoor koelt de lucht af, worden wolken gevormd en gaat er neerslag vallen. In de bovenste luchtlagen boven het centrum van de depressie stroomt de lucht van het lagedrukgebied weg. Dit proces is omgekeerd vergeleken met dat van een hogedrukgebied.

de Wind
Door het verschil van luchtdrukken ontstaat er wind. Wind stroomt van een gebied met hoge luchtdruk in de richting van een gebied met lage luchtdruk. Hoe groter het verschil in luchtdruk per afstandseenheid, hoe groter de windkracht. Vindt de verplaatsing van de lucht over heel grote afstanden plaats, dan gaat ook nog de draaiing van de aarde een rol spelen. Door de draaiing van de aarde beweegt de lucht niet rechtstreeks van hoge naar lage druk, maar buigt zij op het noordelijk halfrond naar rechts af. Het gevolg is dat de lucht zich rond een lage-drukgebied tegen de wijzers van de klok in verplaatst en rond een hoge-drukgebied met de wijzers van de klok mee. Wind die draait tegen de richting van de wijzers van de klok wordt krimpend genoemd. Meestal nadert dan een lagedrukgebied met regen. Omgekeerd heet een draaiing met de wijzers van de klok ruimend. Vaak hangt dat samen met de komst van een hogedrukgebied en beter weer.

Wolken
Door het verschil van luchtdrukken ontstaat er wind. Wind stroomt van een gebied met hoge luchtdruk in de richting van een gebied met lage luchtdruk. Hoe groter het verschil in luchtdruk per afstandseenheid, hoe groter de windkracht. Vindt de verplaatsing van de lucht over heel grote afstanden plaats, dan gaat ook nog de draaiing van de aarde een rol spelen. Door de draaiing van de aarde beweegt de lucht niet rechtstreeks van hoge naar lage druk, maar buigt zij op het noordelijk halfrond naar rechts af. Het gevolg is dat de lucht zich rond een lage-drukgebied tegen de wijzers van de klok in verplaatst en rond een hoge-drukgebied met de wijzers van de klok mee. Wind die draait tegen de richting van de wijzers van de klok wordt krimpend genoemd. Meestal nadert dan een lagedrukgebied met regen. Omgekeerd heet een draaiing met de wijzers van de klok ruimend. Vaak hangt dat samen met de komst van een hogedrukgebied en beter weer.