|
1 liter lucht weegt ongeveer 1,3 gram. De luchtkolom in de atmosfeer vertegenwoordigt een bepaald gewicht en veroorzaakt daardoor een druk op het aardoppervlak. De
luchtdruk varieert van plaats tot plaats en ligt aan het aardoppervlak meestal tussen 940 tot 1060 hPa. Onder invloed van de temperatuur door de lucht- en oceaanstroom
ontstaat er verschil in luchtdruk immers hoe warmer de lucht, hoe lichter het gewicht, dus hoe lager de druk. Luchtdrukgebieden zijn continue in beweging.
Hogedrukgebieden zijn luchtmassa's waarin grootschalig dalende luchtbewegingen plaatsvinden. Hierdoor onstaat aan het aardoppervlak een hogere luchtdruk, dan die van
de omgeving. In de onderste lagen treft men uitstroming aan van lucht, in de bovenste lagen wordt er juist lucht vanuit de omgeving aangezogen. Het gevolg is dat de
lucht in de kern naar beneden gaat. Dit veroorzaakt verwarming van de lucht en oplossing van de eventueel aanwezige wolken. Dit verklaart het mooie weertype dat vaak
voorkomt in een hogedrukgebied.
We spreken van een lagedrukgebied of depressie waar de luchtdruk lager is dan in de omgeving. In de onderste lagen stroomt de lucht spiraalvormig naar het gebied met
de laagste luchtdruk. In de kern van het lagedrukgebied stroomt de lucht naar boven toe, hierdoor koelt de lucht af, worden wolken gevormd en gaat er neerslag vallen.
In de bovenste luchtlagen boven het centrum van de depressie stroomt de lucht van het lagedrukgebied weg. Dit proces is omgekeerd vergeleken met dat van een
hogedrukgebied.
sluiten
|